Roep de Levien: Matteüs, Maria en de genade die roept

Voca levi: Mateus, Maria e a misericórdia que chama
En zijen tot hen gezegd: Het is niet nodig dat de sterken genezen worden, maar dat de zwakken genezing vinden. Ga nu en leer wat het betekent: Ik wil genade en niet offers. Want ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars.
Matteüs 9:12-13
De roeping van Matteüs (Matteüs 9:9-13) is een van de theologische rijkste scènes in de synoptische evangeliën. Een belastingverzamelaar, een sociaal vervormd figuur, ritueel onrein door contact met heidenen en verontreinigd geld, een medewerker van de Romeinse bezetting, wordt uitgenodigd aan tafel bij Jezus en daarna ontvangen thuis met zijn collega’s en andere “zondaars”. De reactie van de farizeeën, “Waarom eet uw Meester met belastingheffers en zondaars?”, is het antwoord van de logica van zuiverheid tegenover die van genade. Het antwoord van Jezus, “Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars”, is een van de meest radicale zelfverklaringen in het Evangelie over de aard van Zijn missie.De door Jezus geciteerde tekst uit Hosea, “Genade wil ik en niet offers” (Hosea 6:6), komt twee keer voor in Matteüs (9:13 en 12:7) en vormt een centraal thema in de theologie van Matteüs: concrete genade die zich manifesteert in relatie met degenen die lijden, is superieur aan het rituele zuiverheidsritueel dat zichzelf afsluit. Dit principe, *hesed* (“getrouwe liefde” of “genade”) boven *zebah* (“ritueel offer”), is een constante in de Israëlische profetische traditie, die herhaaldelijk de ethiek van relatie boven onveranderde aanbidding heeft geplaatst (zie Am 5:21-24; Is 1:11-17; Jer 7:22-23; Mi 6:6-8). Jezus past zich in deze traditie aan en radicaliseert het: genade is niet alleen de voorkeur boven hypocriet offer, maar de vorm van offer die God wil.

I. De roeping van Matteüs: de oproep tot de zondaar

De beknoptheid van de narratieven over de roeping van Matteüs, “Jezus zag een man genaamd Matteüs zitten aan de belastingpost en zei tegen hem: Volg mij.” (Matteüs 9:9), verbergt een radicale breuk. Matteüs liet niet alleen zijn baan achter, maar ook een hele sociale identiteit: die van een belastingheffers die tegelijkertijd rijk was (in vergelijking met het gemiddelde niveau in Galilea), vervormd (uitgesloten uit de synagoge en veel sociale relaties), en geïntegreerd in een machtsstructuur (de Romeinse administratie en die van Herodes Antipas). “Hij stond op en volgde Hem” is een metafoor, een bekering, die alleen door de persoonlijke autoriteit van Jezus kan worden verklaard.De onmiddellijke volgorde, het banket in Matteüs’ huis met “veel belastingheffers en zondaars”, onthult de logica van bekering in het Evangelie van Matteüs: de ontvangen genade overstroomt onmiddellijk met delen. Matteüs heeft zich niet teruggetrokken uit zijn oude wereld op ascetische wijze: hij nodigde Jezus uit in zijn oude sociale kringen, maakte Jezus tot het centrum van zijn voormalige netwerk. Deze logica, “de genade die ik heb ontvangen, moet ik delen met wie ik vroeger was”, is de logica van de missie die Matteüs zelf heeft beschreven in Matteüs 10 (het missie-discours) en die Barnaba heeft geleefd (zie Handelingen 13). Bekering is geen vlucht uit de wereld, maar transformatie van de wereld vanuit het binnenste.

Het feit dat Matteüs, als evangelist, zijn eigen roeping op zo’n beknopte manier beschrijft, zonder psychologische drama’s, zonder beschrijving van zijn innerlijke toestand of rechtvaardiging, is theologisch significant. Bij het schrijven van zijn Evangelie stelt Matteüs zichzelf niet in de spotlicht, maar Jezus wel. Zijn conversie wordt samengevat in twee werkwoorden: «Hij stond op en volgde`, wat precies het essentiële is. Niet de psychologie van de conversie of de innerlijke verandering, maar de daad van besluitvorming en opvolging. Deze soberheid in de vertelling is zelf een vrucht van de conversie: de nederigheid van wie weet dat het middelpunt van het verhaal niet hijzelf is.

De vergelijking tussen de roeping van Matteüs en die van de eerste discipelen (Mt 4,18-22) onthult een constante: in alle gevallen wordt er rechtstreeks geroepen, met een onmiddellijke reactie, en de tekst beschrijft geen overpeinzing. Dat betekent niet dat het volgen zonder kosten was. De vissers verlieten hun netten en vader. Matteüs liet zijn economische zekerheid en sociale status achter, maar de ontmoeting met Jezus creëerde een aantrekkingskracht die hem deed besluiten op onmiddellijke wijze. Deze onmiddellijkheid is geen irrationele actie, maar het erkennen van een autoriteit die tot in het diepste van iemands wezen spreekt en twijfel secundaire maakt.

II. «Misericordie wil ik en niet offer» (Hos 6,6)

De citaat uit Hos 6,6 dat Jezus gebruikt in zijn antwoord aan de farizeeën heeft verreikende implicaties voor het christelijk theologische begrip van liturgie en aanbidding. De profeten uit de 8e eeuw, zoals Amos, Hosea, Jesaja, Micha, bekritiseerden systematisch een aanbidding die was uitgegroeid tot een vervanging van morele conversie: het offeren van vele offers, feesten en gaven werd gezien als een manier om Gods genade te ‘kopen’ zonder de structuren van onrechtvaardigheid die God afkeurde te veranderen. De profetische kritiek was niet gericht op het afschaffen van de aanbidding, maar op het onderwerpen ervan aan hesed, de trouwe liefde die zich uit in gerechtigheid, genade en zorg voor de armen.

Jezus radicaliseert deze traditie door hem toe te passen op een concrete situatie: zijn tafel met zondaars. Het «offer» dat de farizeeën prefereren is de rituele scheiding van het onzuivere, het naleven van zuiverheidswetten die de heiligheid van de gemeenschap garanderen. De «misericordie» die Jezus prefereert is een open tafel met wie door de zuiverheid uitgesloten zijn, een contact dat ritueel vervuilend is maar het teken van liefde zonder grenzen is. Deze voorkeur is geen religieuze anarchie: het is de coherente toepassing van het profetische principe dat de farizeeën zelf kenden maar niet in deze context toepasten.

De christelijke eucharistische theologie draagt deze spanning en probeert er een oplossing voor te vinden: de Eucharistie is tegelijkertijd «offer` (het symbolische offer dat Christus op het kruis bracht) en «misericordie` (de open tafel die zondaars in de gemeenschap van het lichaam van Christus opneemt). De vraag wie toegang mag hebben tot de eucharistische tafel, die de kerk door de eeuwen heen heeft meegemaakt, vanaf Korint (1Kor 11,27-29) tot aan hedendaagse discussies over communie en onregelmatige situaties, is precies deze spanning tussen «offer` (de heiligheid van de tafel die niet mag worden besmet) en «misericordie` (de tafel die Christus voor zondaars heeft geopend).

De genade van Hosea, *hesed*, heeft zijn wortels in de huwelijksliefde die de profeet zelf tragisch ervoer: God liefde Israël zoals Hosea zijn ontrouwse vrouw Gomer liefhad, en bleef haar liefhebben zelfs in haar ontrouw. Deze liefde die niet opgaat, die blijft liefhebben ondanks de ontrouw, is het model van de goddelijke genade.

III. Maria en de logica van de voorkeur voor de armen

De “voorkeur voor de armen”, een formulering die de Latijns-Amerikaanse theologie van de jaren 1970-1980 in het middelpunt van de kerkelijke reflectie plaatste en die door Johannes Paulus II en Benedictus XVI werd geïntegreerd in het sociaal leerbeleid van de Kerk, heeft zijn duidelijkste bijbelse wortels in het Magnificat. “Hij vult de hongerigen met goedheid en stuurt de rijken weg met lege handen” (Lucas 1,53): de goddelijke voorkeur voor de armen is geen willekeurige politieke keuze, maar een constante van Gods handelen in de geschiedenis, volgens Maria. Het Magnificat is Maria’s interpretatie van de Verenking.

De genade van Maria in de devotie is specifiek gericht tot wie door de “religieuze logica” zouden worden uitgesloten. De *Salve Regina* is een gebed van “de arme kinderen van Eva” die “klagen en huilen”, niet van de tevreden rijken. De Loretolitanie roept Maria op als “toevlucht voor de zondaars” en “troost voor de christenen”, niet als beloning voor de rechtvaardigen. De populaire devotie tot Maria, sterker in sociale en geografische periferieën dan bij elites, weerspiegelt deze voorkeur: Maria is bij hen die de samenleving aan de rand plaatst, net zoals Jezus zat aan de tafel met de belastingheffers.

De verbinding tussen de mariale genade en de roeping van Matteüs is een logische verbinding: dezelfde genade die Jezus toonde door Matteüs te roepen, is de genade die Maria vertegenwoordigt in de populaire devotie. Jezus “roept” de belastingheffers omdat “Hij niet kwam om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars”. Maria bemiddelt voor de zondaars omdat zij onze pleitbezorger is, niet een rechter die oordeelt, maar een verdediger die de zaak van hen die zelf geen verdediging hebben, aan haar Zoon voorlegt. De logica van genade, in beide gevallen, is de logica van liefde die verder gaat dan verdienste.

De heilige plaats van Fátima, waar Maria drie kinderen uit een afgelegen dorpje in Portugal boodschappen bracht tijdens een tijd van oorlog en crisis, illustreert deze voorkeur: Maria verschijnt niet in politieke of kerkelijke centra, maar aan de rand. Deze constante in mariale verschijningen (Guadalupe bij de Mexicaanse inheemse bevolking, Lourdes bij een arme tiener uit een analfabete familie, Fátima bij herderjonge meisjes) is geen toeval: het weerspiegelt de logica van het Magnificat en de roeping van Matteüs. God toont zijn genade door voorkeur te geven aan wie de wereld afwijst.

IV. De open tafel: eucharistie en gemeenschap met zondaars

Het banket van Matteüs, waarin Jezus eet met “veel belastingheffers en zondaars”, is een proto-eucharistisch type: een door Jezus voorgezeten banket dat openstaat voor de uitgesloten, wat de schande veroorzaakt bij de “zuivere” mensen. De patristische interpretatie van deze scène, vooral bij Johannes Chrysostomus en Ambrosius van Milaan, zag in het banket van Matteüs een voorbode van de eucharistie: de tafel van de Heer die, bij Zijn instelling, werd voorgezeten door iemand die wist dat er verraders onder Zijn gasten waren en die hen niet uitsloot.

De vraag naar de eucharistische gemeenschap met zondaars, met mensen in “onregelmatige situaties”, met ernstig zondigen, met afgedwaalde personen, is een van de meest gevoelige kwesties binnen de hedendaagse kerkelijke pastoraal. Het principe uit Hosea 6,6 (“Ik wil genade, geen offer”) en de scène in Matteüs 9 (“Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars”) bieden een theologische oriëntatie die niet automatisch alle concrete pastorale gevallen oplost, maar wel een duidelijke richting geeft: de eucharistische tafel van Jezus is in de eerste plaats een genezing voor zondaars, niet een beloning voor rechtvaardigen.

De mariologie draagt bij aan deze reflectie met het beeld van Maria tijdens de gebedsbijeenslag in de Hemel (Handelingen 1,14): Maria was met de leerlingen in gebed voor de komst van de Heilige Geest, en onder hen waren Petrus (die Jezus had ontkend), degenen die waren weggelopen uit Gethsemané, en de twijfelende over de opstanding. Het aanwezigheid van Maria in de Hemel met deze mislukte leerlingen is een teken dat genade niet wacht op perfectie voordat zij gemeenschap toestaat: zij ondersteunt de gemeenschap van onvolmaakten die wachten op het geschenk van de Geest. Dit beeld van de Hemel (Maria, moeder van genade, midden onder de mislukte leerlingen) vormt het model voor de kerk die Jezus oprichtte aan de tafel van Matteüs.

“Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars” (Matteüs 9). Deze uitspraak van Jezus is tegelijkertijd zowel troostend als veeleisend. Troostend omdat geen belastingheffer, geen zondaar, geen persoon met een moeilijke achtergrond buiten het bereik van Jezus’ oproep ligt. Veeleisend omdat wie zich identificeert met de “rechtvaardigen”, wie gelooft niet in nood aan genade, wie zeker is van zijn eigen rechtvaardigheid, zichzelf buiten het bereik van Jezus’ oproep plaatst. De enige positie waarin men Jezus’ oproep kan horen, is die van Matteüs voorafgaand aan de ontmoeting: hij zat op zijn plaats, zich bewust van wie hij was, nog niet veranderd maar bereid om “op te staan en te volgen”.

Graduate Studies in Mariologie

Wilt u uw opleiding in Mariologie verdiepen? Ontdek de Graduate Studies in Mariologie van Locus Mariologicus – een academische opleiding die theologische strengheid, spirituele leven en het levende erfgoed van de Kerk combineert.

Inschrijven of meer informatie →

Wilt u mariologie serieus studeren?

Dit artikel komt voort uit de werken van de bibliotheek van Locus Mariologicus. De postgraduate opleiding in mariologie brengt u met academische begeleiding naar dezelfde bronnen: Schrift, Kerkvaders en Leergezag.

Ontdek de opleiding in mariologie

Related Articles

Responses