Maria is het woord dat nooit faalt.

Uw woord moet ‘ja’ betekenen wat het is, en ‘nee’ wat het is. Maar als uw woord niet betrouwbaar is, komt het van de duivel.
Matteüs 5:37
De derde tegenstrijdigheid uit de Bergrede (Matteüs 5:33-37) radicaliseert het verbod op valse eedafleggingen: “Jullie hebben gehoord dat vroeger gezegd werd: ‘Niet zal ik met een leugen eed afleggen’, maar ‘voltooi naar de Heer wat je belooft’. Maar ik zeg jullie: Zeg helemaal niet ‘ja’ als het nee betekent, en nee als het ja betekent.” (Matteüs 5:33-37). Jezus heeft de eed niet afgeschaft; hij wees op een niveau van integriteit waar de eed overbodig wordt: wanneer het menselijke woord absoluut betrouwbaar is, hoeft het niet te worden versterkt door eedafleggingen. Dit weekend, dat in de liturgische kalender speciaal gewijd is aan het geheugen van Onze Lieve Vrouwe, is een moment om Maria als model van deze absolute integriteit van het woord te contempleren: zij wiens “ja” een eeuwig en onvoorwaardelijk “ja” was tegen God, wiens woorden in Kanaa, “Doe zoals hij jullie zegt” (Johannes 2:5), de perfecte samenvatting vormen van het “ja, ja” dat Jezus eist.
I. De tegenstrijdigheid over de eed: van letter naar Geest
De context van de eed in het jodendom van de eerste eeuw was complex: er bestond een hele juridische traditie rond welke eed bindend was en welke niet, afhankelijk ervan of men zwoer bij God, bij de Tempel, bij Jeruzalem of bij de hoofdman. Jezus snijdt dit knooppunt met een kenmerkende radicaliteit door in plaats van te reguleren welke eed geldig is, te pleiten voor een integriteit van het woord die de eed overbodig maakt. Wanneer elk menselijk woord absoluut betrouwbaar is, is er geen noodzaak om het te versterken met goddelijke invoeringen.
Het “ja, ja” of “nee, nee” van Jezus (estô de ho logos hymôn nai nai, of ou) kan worden gelezen als een nadrukkelijke duplicatie (het equivalent in Aramees van “absoluut ja” of “absoluut nee”) of als een oproep tot eenvoud en directheid: zeg wat je bedoelt, zonder dubbelzinnigheden, zonder ontwijkingen, zonder de “marge van manoeuvre” die het systeem van eedafleggingen toeliet. In beide gevallen is de eis hetzelfde: het menselijke woord moet absoluut betrouwbaar zijn, niet alleen wanneer er een eed bij komt kijken, maar altijd en in elk geval.
De verbinding die Jezus legt tussen de noodzaak van de eed en “de duivel” (apo tou ponêrou) is theologisch diepgaand: waar het menselijke woord niet betrouwbaar is, waar men het moet versterken met eedafleggingen om er geloof in te krijgen, is dat een teken dat de zonde de menselijke communicatie heeft gecorrumpeerd. Leugen, manipulatie, ontwijking van de waarheid zijn niet alleen individuele morele tekortkomingen, maar uitingen van het rijk van “de duivel” die de menselijke taal heeft gecorrumpeerd, die oorspronkelijk bedoeld was om de waarheid te weerspiegelen. De “zuiverheid van het woord” die Jezus eist, is in essentie de herstel van de menselijke taal voor haar oorspronkelijke functie: de waarheid openbaren, niet verbergen.
De religieuze traditie (met name de Regula van Sint Benedictus en de Constituties van vele religieuze congregaties) begreep het “ja, ja; nee, nee” als de basis van het geloften van gehoorzaamheid: het woord dat aan de Regula en de Superieur wordt gegeven, heeft geen andere interpretatie of verborgen voorwaarden. Maar de eis van Matteüs 5,37 beperkt zich niet tot religieuze personen, maar geldt voor elk menselijk woord: in contracten, beloften binnen het gezin, in de publieke communicatie, in de politiek. De hedendaagse erosie van vertrouwen in het openbare woord, waarin “spinning” en “narratieven” de rechtvaardigheid vervangen, is een symptoom van het “kwade” dat Matteüs 5,37 met nauwkeurigheid diagnosticeert.
II. Het “Fiat” van Maria: het ja dat niet faalde
Het “fiat” van Maria bij de Verkondiging (“Laat het in mij geschieden volgens uw woord” (Lucas 1,38)), is het “ja, ja” van Matteüs 5,37 in zijn meest absolute vorm. Maria zei niet “ja met voorwaarden”, niet “ja als de omstandigheden gunstig zijn”, niet “ja maar ik behoud me het recht voor om te heroverwegen”. Ze zei “ja”, absoluut, geheel en al, zonder voorbehoud, aan het project van God dat de engel haar had aangekondigd; een project dat ze niet volledig begreep en dat gevolgen met zich meebracht die ze niet kon voorzien.
De theologie rond het Mariaans “fiat” heeft uitgebreid de dimensie van vrijheid benadrukt: Maria zei “ja” vrijelijk, niet onder goddelijke dwang. God “wachtte” op haar “ja”, wat impliceert dat een “nee” mogelijk was geweest. Deze mogelijkheid van een “nee” maakt het “ja” betekenisvol: er kan alleen echt geliefd worden waar het mogelijk is om te weigeren. Het Mariaans “fiat” is derhalve de meest radicale daad van vrijheid in de menselijke geschiedenis: de schepsel die, terwijl ze kon weigeren, onvoorwaardelijk “ja” zei aan de Schepper, en door dat “ja” de incarnatie mogelijk maakte.
De trouw van Maria aan haar “fiat” gedurende dertig jaar bewijst dat haar “ja” werkelijk “est, est” was, zonder voorbehoud, zonder terugtrekking, zonder herziening. Van het “fiat” bij de Verkondiging tot “doe wat hij u zegt” in Kana (Johannes 2,5), en “sta bij het kruis” op Golgota (Johannes 19,25), Maria’s “ja” bleef absoluut consistent. In momenten waarin alles schijnbaar in te lopen was op een logische tegenspraak met het oorspronkelijke “fiat”, de vlucht naar Egypte, het onbegrip van Jezus in de Tempel, het kruis, zei Maria niet “nee” of “misschien”. Haar oorspronkelijke “ja” bleef staan.
III. “Doe wat hij u zegt”: de zaterdag van Onze Lieve Vrouw
Het laatste woord van Maria in de Evangelieën, “doe wat hij u zegt” (Johannes 2,5), is de samenvatting van haar hele spiritualiteit en missie. In Kana, wanneer ze zich tot de dienaren van het feest wendde, legt Maria geen wil op, manipuleert ze Jezus niet om een wonder te verrichten dat zij zelf wil; ze wijst in plaats daarvan naar de Zoon en zegt “vertrouwt op hem”. Dit woord van Maria is het laatste gebaar van een leven volledig gericht op Christus: ze plaatst zichzelf niet centraal, eist geen eigen autoriteit, spreekt niet voor zichzelf, maar is de stem van de Zoon.
De toewijding van de zaterdag aan Onze-Lieve-Vrouw, aanwezig in de liturgie sinds de middeleeuwen en bevestigd door de hervorming van paus Paulus VI, heeft deze theologische grondslag: Maria is degene die gedurende de hele liturgische week «in haar hart bewaart en overdenkt» (Lucas 2,19) het Woord dat de andere dagen verkondigen. Zaterdag is de dag van «rust in God», en Maria is het voorbeeld hiervan: niet inactiviteit, maar de innerlijke stilte van degene die volledig gericht is op God en geen «haast» hoeft te maken omdat ze al waar ze moet zijn.
De praktijk van de «Vijf Eerste Zaterdagen», voorgesteld in de boodschap van Fátima (1917) als een manier van vergoeding en devotie aan het Onbevlekte Hart van Maria, weerspiegelt Matteüs 5,37: vergoeding voor «zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria» omvat zonden tegen de waarheid (afgunst, laster, onterechte afbeeldingen van Maria), en zonden die in strijd zijn met het «ja, ja. Nee, nee» van Gods getroude woord. De devotie van de zaterdag is derhalve een school voor integriteit van het woord: door Maria te eren wiens woord altijd absoluut trouw was, wordt de christen aangemoedigd zijn eigen woord betrouwbaarder te maken.
IV. Het christelijke woord in de cultuur van de «Verhalende»-vorming
De eis van Matteüs 5,33-37 heeft een bijzondere actualiteit in een wereld waarin de «verhalende»-vorming de waarheid heeft vervangen, en de geloofwaardigheid van instellingen (politiek, religieus, media) is uitgehold door de opgetelde ervaring van leugens, manipulatie en ontwijking. Het «boze» dat in Matteüs 5,37 wordt geïdentificeerd als de bron van de noodzaak om te zweren, manifesteert zich vandaag in de alomtegenwoordigheid van «spin», «post-waarheid», en «alternatieve feiten», fenomenen die de menselijke communicatie op haar fundament corrumperen.
Het christelijke antwoord op deze crisis van het woord is niet de herintroductie van zweren of controlemechanismen, maar de vorming van mensen wiens woord zo absoluut trouw is dat het geen controle nodig heeft. Deze vorming vindt zijn model in Maria: een leven geheel gericht op trouw aan het «ja» van haar eerste «fiat», een leven waarin consistentie tussen woord en daden niet uitzondering kende. Deze consistentie is geen stijfheid, maar de integriteit van een hart zonder scheuring dat zegt wat het voelt en doet wat het zegt.
De monnikelijke traditie zag in Matteüs 5,37 de basis voor de «conversatio morum», de permanente omvorming van gewoonten die de religieuze levensbelofte belooft: niet grote beloften in één keer doen, maar een permanente toewijding aan waarheid, consistentie en trouw aan het woord. Maria die bij de Anunciaatie geen «grote beloften» deed, beloofde alleen beschikbaar te zijn, en leefde deze beschikbaarheid trouw tot het einde, is het model van deze «conversatio»: de trouw van elke dag die, opgeteld, de trouw van een heel leven wordt.
Maria, wiens woord, van het «fiat» bij de Anunciaatie tot het «do wat hij u zegt» in Kana, altijd het «ja» was dat geen zweren nodig had om geloofd te worden, is het model voor de leerling die Matteüs 5,37 uitdaagt: degene wiens woord zo trouw is dat het niet onder ede hoeft te worden geloven.
Referenties
- Bento XVI, *Jezus van Nazareth* deel I: «*De Bergrede»* (2007).
- Johannes Paulus II, *Redemptoris Mater* nn. 13-14 (1987).
- U. Luz, *Het Evangelie volgens Matteüs* deel I (1985).
- I. de la Potterie, *Maria in het mysterie van de Verbond* (1988).
Postgraduaat in Mariologie
Wil je je kennis van Mariologie verdiepen? Ontdek het Postgraduaat in Mariologie bij Locus Mariologicus – een academische opleiding die theologische strengheid, spirituele levensvorm en de levende traditie van de Kerk combineert.
Wilt u mariologie serieus studeren?
Dit artikel komt voort uit de werken van de bibliotheek van Locus Mariologicus. De postgraduate opleiding in mariologie brengt u met academische begeleiding naar dezelfde bronnen: Schrift, Kerkvaders en Leergezag.
Responses