Verzamel eerst het onkruid: het joio en het tarwe, en Maria in de geduld van de Heer.

Collige primum zizania: o joio e o trigo, e Maria na paciência do Senhor.

Citaat: “De vijand, die het zaaide, is de duivel. De oogst is echter de voltooiing van de eeuwigheid; de oogsters zijn engelen. Net zoals graan en onkruid worden verzameld en het onkruid in vuur wordt verbrand, zal het zo zijn bij de voltooiing van de eeuwigheid.” (Matteüs 13:39-40)

Uitleg:

In Matteüs 13:36-43 legt Jezus zijn discipelen, in privé, uit de parabel van het onkruid en het graan. De oorspronkelijke parabel beschreef een boer die bij het vinden van onkruid (waarschijnlijk Lolium temulentum, een soort onkruid dat lijkt op tarwe in de vroege groeifase) in zijn tarweveld, zaad door een vijand, besluit te wachten met oogsten tot het einde. In de allegorische uitleg worden elk element geïdentificeerd: de tarweboer is de Zoon van de Mens, het veld is de wereld, het graan zijn kinderen van het Koninkrijk, het onkruid zijn kinderen van de Duivel, de vijand is de duivel, de oogst is de voltooiing van de eeuwigheid en de oogsters zijn engelen.

Het besluit om te wachten, in plaats van direct het onkruid uit te trekken om het graan niet te beschadigen, vormt het theologische kernpunt van de parabel: God is geduldig, Hij wacht tot het einde voordat Hij oordeelt. Deze geduld is geen onverschilligheid voor het kwaad, maar erkent dat spirituele groei tijd nodig heeft en dat vroegtijdige scheiding van onrijp onkruid het graan kan vernietigen.

De theologie van Gods geduld in Matteüs 13:36-43 beantwoordt de eeuwige vraag: waarom laat God het kwaad toe? Het antwoord is niet speculatief, maar pastoraal: omdat Hij hoopt dat onkruid zich ontwikkelt tot graan, dat zondaars bekeeren, en dat de verloren zoon terugkeert.

I. “De vijand die het zaaide, is de duivel”: de duivel en het onkruid in het veld

“De vijand die het zaaide, is de duivel” (Matteüs 13:39), deze directe identificatie van de onkruizzaaier met de duivel is een van de meest expliciete uitspraken in de evangeliën over de invloed van de Duivel op de wereld. De duivel handelt niet door zelf iets te creëren, maar door chaos te zaaien in wat al bestaat, net zoals onkruid zich mengt met tarwe. Het beeld van onkruid dat lijkt op tarwe illustreert het kwaad dat zich vermomt als goedheid, valsheid die zich voordoet als waarheid en zonde die zich vermengt met deugdzaamheid.

De actie van de vijand “‘s nachts” (Matteüs 13:25: “terwijl de mensen sliepen”) onthult zijn werkwijze: in het geheim, wanneer waakzaamheid laag is. De traditionele spiritualiteit zag in dit beeld een waarschuwing voor de gevaren van afglijden in het christelijk leven wanneer men “slaapt”, wanneer men de wachtstand van gebed, discernement en sacramenten verwaarloost.

In de patristische traditie wordt Maria beschouwd als de ultieme tegenstander van de duivel, de vrouw uit Genesis 3:15 wiens nakomelingen de kop van de slang zullen verbrijzelen. In dit licht contrasteert het beeld van onkruid dat door de vijand is zaaid met Maria die zelf de Zoon van God heeft “zaaid” in de wereld. Terwijl Eva het onkruid van de duivel accepteerde, bracht Maria het leven dat zich onopvallend gedroeg (het kind van Bethlehem). Het contrast tussen Eva en Maria, dat de patristische traditie ontwikkelde (Eva’s ongehoorzaamheid tegenover Maria’s gehoorzaamheid), heeft hier een agrarische dimensie: Eva liet het onkruid van de vijand binnen. Maria liet het zaad van de Zoon van God in de wereld groeien.

II. “Niet sterk samenvatten, onkruid”: de geduld van God die wacht

“Nee, zodat bij het oogsten van de onkruid u ook het tarwewas niet uitroeit. Laat beide groeien tot de oogst” (Matteüs 13,29-30), de geduld van de Heer die wacht op de oogst is een van de diepste thema’s in de theologie van Matteüs. De God uit Matteüs 13 grijpt niet onmiddellijk in om het kwaad te vernietigen omdat een voortijdige interventie zowel het goede als het kwade zou vernietigen. Deze geduld is de geduld van liefde die het organische groeiproces respecteert, geen passiviteit maar actieve wachttijd, wetende dat rijping tijd vergt.

De theologie van de goddelijke geduld heeft implicaties voor de ekklesiologie: de kerk (het veld van de Heer) is in deze wereld een mengsel van tarwe en onkruid. De verleiding tot radicale zuiverheid, om zondaars, ketters en onwaardigen onmiddellijk uit te sluiten, is altijd aanwezig in de geschiedenis van de kerk. De parabool over het onkruid en de tarwe is het evangelie-antwoord: wachten, onderscheiden, en laten God oordelen op het moment van de oogst. Niet door moreel relativisme (het onkruid blijft onkruid) maar door epistemologische nederigheid: wie zijn wij om met zekerheid te weten wat tarwe en onkruid in iemands hart zijn?

Maria als figuur van de eschatologische geduld: zij die decennialang in de schaduw van Nazareth leefde, getuige was van de trage en onopvallende groei van de Zoon tot het moment van zijn openbare verschijning, die de “zwaard” van het kruis zonder geloof verloor, is het model van geduld dat wacht op de oogst. De “heilige zaterdag” van Maria, tussen dood en opstanding, is de meest extreme vorm van deze geduld: wachten op de oogst wanneer alles vernietigd lijkt te zijn, het onderscheid maken tussen onkruid en tarwe wanneer de tarwe lijkt te zijn vernietigd samen met het onkruid.

III. “Zij zullen schijnen als de zon” (Matteüs 13,43): het oordeel en de transfiguratie van de rechtvaardigen

“Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader” (Matteüs 13,43), de eschatologische belofte die de uitleg van de parabool afsluit is een van de meest heldere passages in het Evangelie volgens Matteüs. “Stralen als de zon” roept de transfiguratie op (Matteüs 17,2: “Zijn gezicht schitterde als de zon”), de uiteindelijke toestand van de rechtvaardigen zal deelnemen aan de glorie die Jezus tijdens zijn transfiguratie onthulde. Wat tijdelijk zichtbaar was op het Tabor wordt permanent zichtbaar in de eschatologische voltooing.

De uitdrukking “in het Koninkrijk van hun Vader” is belangrijk: de Zoon van de Mensen geeft het Koninkrijk aan de Vader (zie 1 Korintiërs 15,24), en het zijn in het Koninkrijk van de Vader dat de rechtvaardigen stralen. De eschatologie van Matteüs is drievoudig: de Zoon zaaide het tarwewas, de engelen doen de oogst, en het uiteindelijke resultaat is het Koninkrijk van de Vader. Maria, die tijdens haar Vader ons Onze Vader-gebed bedeelde met de woorden “laat Uw Koninkrijk komen”, badte precies voor dit moment: het moment waarop de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader.

Maria neemt al deel aan deze glorie, de dogma van de Opheffing in 1950 bevestigt dat Maria in lichaam en ziel tot de hemelse glorie is verheven. Maria schijnt al als de zon in het Koninkrijk van haar Vader, wat de rechtvaardigen in hoop verwachten. Devotie naar Maria die haar beschouwt als een “voorafgaande” (prototype) van de opstanding van de doden, heeft hier haar grondslag: Maria is het tarwewas dat reeds geoogst en al schijnt, een teken en belofte van wat allen die volharden te wachten hebben.

IV. Maria’s oordeel: Koningin van genade voor gerechtigheid

«De Zoon van de Mens zal zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn Koninkrijk alle schandalen en boosdoeners verzamelen» (Matteüs 13,41). Het uiteindelijke oordeel in Matteüs is streng: de «kinderen van de duivel» worden gescheiden van de «kinderen van het Koninkrijk». Maar de devotie-traditie heeft Maria’s intercessie vóór en tijdens het oordeel niet vergeten. De middeleeuwse iconografie van het «Uiteindelijke Oordeel» plaatst Maria (en Johannes de Doper) vaak naast de rechtvaardige Christus als tussenpersoon, de «Deesis» (biddende figuur) die Maria’s en Johannes’ intercessie voor de glorieuze Christus voorstelt.

Maria’s intercessie tijdens het oordeel staat niet in tegenspraak met Gods gerechtigheid, maar voorziet erin: Maria bemiddelt ten gunste van wie, als joog, nog de mogelijkheid tot bekering hebben voordat de uiteindelijke oogst plaatsvindt. De titel «Moeder van Genade» (Salve Regina: «Mater misericordiae») heeft deze eschatologische context: Maria wordt aangeroepen als moeder vol genade omdat het oordeel nabij is. Niet om het oordeel te ontwijken, maar om harten te bekeren voordat de oogsttijd komt, zodat joog tot tarwe kan worden voordat de oogsters het scheiden.

De parabool van het joog en de tarwe is in essentie een parabool van hoop: zolang de oogst niet nabij is, is er tijd om te groeien, te rijpen en te bekeren. Maria’s intercessie verlengt deze periode van genade: zij die Jezus het wonder van Kanaa voor zijn tijd bewerkte (Johannes 2,4: «Mijn uur is nog niet gekomen») bemiddelt om de tijd van genade over elke ziel te verlengen die nog niet rijp is. Maria, als «Koningin van Genade», is de bewaker van de conversietijd die voorafgaat aan de oogst.

Wilt u mariologie serieus studeren?

Dit artikel komt voort uit de werken van de bibliotheek van Locus Mariologicus. De postgraduate opleiding in mariologie brengt u met academische begeleiding naar dezelfde bronnen: Schrift, Kerkvaders en Leergezag.

Ontdek de opleiding in mariologie

Related Articles

Responses