“Niet elke profeet wordt geëerd: ook Maria, de moeder van de verloochende profeet, werd niet geëerd.”

Non est propheta sine honore: o profeta sem honra e Maria mãe do profeta rejeitado

Citaat: “Een profeet wordt niet geëerd dan buiten zijn eigen land en huis. En hij heeft daar niet veel wonderen verricht vanwege hun ongeloof.” (Matteüs 13,57-58)

Inleiding: Het verhaal in Matteüs 13,54-58 beschrijft het bezoek van Jezus aan zijn “patria”, Nazareth, en de schok die hij onder zijn medestadelingen veroorzaakt. Dit hoofdstuk over de parabels wordt afgerond met een bittere noot: diegenen die het meest verwachtten Jezus te herkennen – zijn kindertijdvrienden en mensen die zijn groei hebben meegemaakt – waren juist de meest geschokt.

De vraag van de Nazarenen, “Is dit niet de zoon van de timmerman? Is zijn moeder Maria niet bekend?” (Matteüs 13,55), is zowel een erkenning van zijn afkomst als de reden voor hun verbazing: zij kenden zijn familie, dus zo’n buitengewone persoon zou onverwacht zijn.

Axioma: Jezus’ uitspraak, “Een profeet wordt niet geëerd dan buiten zijn eigen land en huis” (Matteüs 13,57), heeft wortels in het Oude Testament. Elias werd niet naar Israël gestuurd, maar naar de weduwe van Sarepta (Lucas 4,25-26). Elisa geneesde niet een Israëliet, maar de Syrische Naamaan (Lucas 4,27). Afwijzing in je eigen land definieert de missie van een profeet niet als ongeldig, maar geeft het zijn context: de profeet wiens erkenning begint bij buitenstaanders, mensen zonder vooroordelen over afkomst, mensen die zijn familie niet kennen. De logica is paradoxaal maar pedagogisch waardevol: te veel vertrouwdheid met iemands achtergrond kan het erkennen van het heilige belemmeren.

I. “Waar is dan de wijsheid?” – Schandaal door bekende oorsprong

“Waar komt deze wijsheid en deze wonderen vandaan? Is hij niet de zoon van de timmerman?” (Matteüs 13,54-55), vragen de Nazarenen. Hun verwondering wordt onmiddellijk gedemaskerd door hun argument: zij erkennen zowel zijn wijsheid als wonderen, maar zijn bekende afkomst en familie weerhouden hen ervan hem te accepteren als iets bijzonders.

Het kennen van iemands familie kan een hindernis vormen voor het erkennen van zijn missie, net zoals de nabijheid die een warmte zou moeten brengen, in dit geval leidt tot afwijzing.

De vraag “Waar komt deze wijsheid vandaan?” is op zich goed bedoeld, maar wordt misbruikt om Jezus’ goddelijke oorsprong te ontkennen. Een soortgelijke benadering volgt hedendaagse theologie die Jezus terugbrengt tot zijn culturele en sociale context door middel van historisch-kritische methoden: het kennen van iemands achtergrond, omstandigheden en geschiedenis kan de transcedentie blokkeren. De hermeneutiek van verdenking, toegepast op Jezus, is misschien het moderne equivalent van “Hij is toch de zoon van de timmerman.”

Maria wordt expliciet genoemd in deze context: “Zijn moeder heet Maria en zijn broers zijn Jacobus, Jozef, Simon en Judas” (Matteüs 13,55). Dit is een van de weinige plaatsen in de synoptische evangeliën waar Maria’s naam voorkomt buiten de verhalen over zijn jeugd. De Nazarenen noemen Maria als argument tegen Jezus: zijn bekende familie, inclusief Maria, maakt zijn goddelijke oorsprong onwaarschijnlijk. Voor de christelijke traditie echter was juist het feit dat Maria een gewone vrouw uit Nazareth was, bewijs van de realiteit van de Verlossing – niet een mythische of symbolische gebeurtenis, maar historisch en concreet.

II. “Non est propheta sine honore nisi in patria” – De afgewezen profeet

“Geen profeet wordt geëerd in zijn eigen land en in zijn eigen huis” (Matteüs 13,57), de uitspraak van Jezus over de profeet die in zijn vaderland wordt afgewezen, wordt bevestigd door de geschiedenis van de profeten van Israël: Jeremia werd afgewezen door zijn medeburgers uit Anatot (Jeremia 11,21), Ezechiël door het volk dat hij had gezonden (“Ze horen uw woorden maar doen ze niet na”, Ezechiël 33,31-32), en Elias vluchtte naar de woestijn om zich te onttrekken aan de achtervolging van Jezabel. Het afwijzen van de profeet in zijn vaderland is geen historisch uitzonderingspunt, maar een patroon dat iets onthult over de aard van profetie: de profeet kondigt een nieuwheid aan die door vertrouwdheid wordt geblokkeerd.

De christologische toepassing van dit uitspraak heeft een tragische dimensie: Jezus’ dichtste bijstanders, de Nazarenen, zijn familie, medebewoners, zijn het die het meest geschokt zijn. In Johannes 1,11 staat: “Hij kwam naar wat van hem was, en zij hebben hem niet ontvangen.” Het afwijzen in het vaderland voorspelt het afwijzen in Jeruzalem, hetzelfde patroon van ongeloof van “zijn eigen volk” dat zal culmineren in het lijden tijdens zijn Passie. De weg die Jezus van Nazareth naar Jeruzalem aflegt, is de weg van de profeet die zich bewust is van de afwijzing die hij te wachten staat.

Maria heeft deze afwijzing van binnenuit meegemaakt: zij was de moeder van een profeet die in zijn vaderland werd afgewezen. Toen de Nazarenen zeiden: “Is dit niet de zoon van de timmerman, wiens moeder Maria heet?”, weigerden ze Maria indirect, de moeder van iemand die volgens de aankondiging geen buitengewone persoon zou moeten zijn. De deelname van Maria aan de vernedering van haar Zoon begint niet alleen op het kruis, maar al in Nazareth: de afwijzing van het vaderland is een vorm van de “zwaard” van Simeon die door Maria’s ziel gaat (Lucas 2,35).

III. Maria in Nazareth: de moeder van de profeet uit het vaderland

Dertig jaar in Nazareth, het grootste deel van Jezus’ leven, zijn de dertig jaren van stilte die de theologie “het verborgen leven” noemt. Tijdens deze dertig jaar leefde Maria in Nazareth als de moeder van een timmerman, zonder zichtbare buitengewone tekenen, zonder de erkenning die de aankondiging had beloofd (“Groot zal hij worden en zal genoemd worden Zoon des Altste”, Lucas 1,32). Het contrast tussen de belofte van de aankondiging en de realiteit van Nazareth is de langste periode van “het wachten in geloof” dat Maria meemaakte.

De dertig jaar in Nazareth zijn het leven van geloof van Maria zonder zichtbare bevestiging: zij wist wie haar Zoon was, maar haar medeburgers erkenden Hem niet, en Zijn openbare missie was nog niet begonnen. Deze situatie, weten en niet kunnen bewijzen, geloven en geen zichtbare bevestiging zien, is het model van alledaags geloof dat wacht zonder spectaculaire tekenen. De devotie tot de “Heilige Familie van Nazareth” heeft hier haar grondslag: niet de heilige familie van wonderen en theofanieën, maar de heilige familie van dagelijkse leven, werk, stilte, trouw wachten.

Wanneer de Nazarenen Jezus afwijzen door te verwijzen naar zijn familie (“Zijn moeder Maria”), bevestigen zij onbewust de theologie van de Verenking: de Zoon Gods is zo radicaal mens geworden dat zijn menselijkheid niet te onderscheiden is van die van zijn medeburgers. De Verenking die Maria mogelijk maakte met het “ja” dat ze sprak, was zo radicaal dat de Nazarenen er niet verder bovenuit konden zien. Maria, die de Verenking in al haar radicaliteit aanvaardde, heeft ook de gevolgen ervan gedragen, inclusief het ongeloof van wie er niet in slaagde om de Zoon Gods te herkennen in een timmermanssoon.

IV. «De veelheid aan wonderen die geloof mogelijk maakt»: een theologische reflectie

«En hij deed er daar niet veel wonderen, vanwege hun ongeloof» (Matteüs 13,58), de uitspraak dat Jezus «er niet veel wonderen deed vanwege hun ongeloof» is theologisch verrassend: de mogelijkheid van Jezus om wonderen te verrichten is afhankelijk van het geloof van de ontvangers. Niet omdat Jezus menselijke hulp nodig heeft om te handelen (zijn macht is absoluut), maar omdat het wonder geen eenzijdig spektakel is, maar een daad van gemeenschap tussen Gods kracht en de openheid van de mens. Ongeloof belet Jezus niet om machtig te zijn, maar maakt het wonder onmogelijk als ontmoetingshandeling.

De theologie van het «wonder dat afhankelijk is van geloof» doorkruist de evangeliën: «Zo zal het met u gebeuren, als gij gelooft» (Matteüs 9,29), «Jouw geloof heeft je genezen» (Markus 5,34; Lucas 7,50; 17,19). Geloof is niet de oorzaak van het wonder (God is de oorzaak), maar de voorwaarde voor de ontmoeting die het wonder mogelijk maakt. De Nazarenen die niet geloven, «ontvangen geen wonderen» (Handelingen 8,24), en maken zo zelf de ontmoeting onmogelijk die wonderen zou kunnen brengen.

Maria als model van «het geloof dat wonderen mogelijk maakt»: op de bruiloft van Kanaa, was de tussenkomst van Maria bij Jezus («Ze hebben geen wijn», Johannes 2,3) niet dwingend voor hem om te handelen (hij antwoordde: «Wat heb ik ermee te maken?’, Johannes 2,4), maar creëerde ze ruimte voor de ontmoeting die het wonder mogelijk maakte. «Doe wat hij u zegt» (Johannes 2,5) is de formule van geloof die het wonder mogelijk maakt: niet door druk uit te oefenen, maar door de voorwaarden voor ontvangst te scheppen. Waar de Nazarenen hun hart sloten en wonderen verhinderden, opende Maria in Kanaa de harten van de dienaars en maakte zo het eerste teken mogelijk.

Wilt u mariologie serieus studeren?

Dit artikel komt voort uit de werken van de bibliotheek van Locus Mariologicus. De postgraduate opleiding in mariologie brengt u met academische begeleiding naar dezelfde bronnen: Schrift, Kerkvaders en Leergezag.

Ontdek de opleiding in mariologie

Related Articles

Responses